Geschiedenis
De geschiedenis van de medina gaat terug tot de late 15e eeuw.
Stichter van de stad is sharif Moulay Ali ben Rashid, wiens heiligdom voor de
poort Bab el-Aïn staat. Door de val van Granada in 1492 trokken talrijke
moslims naar het zuiden, waardoor Chechaouen in de loop der jaren een sterk
Andulusisch karakter kreeg. De Spanjaarden drongen in 1920 met geweld de stad
binnen, maar moesten deze vier jaar later weer verlaten door een actie van de
Riffijnse leider Abdelkrim. Na zijn nederlaag in 1926 namen de Spanjaarden het
bewind in de stad weer over.
De stad
De witte huizen van Chechaouèn zijn trapsgewijs tegen de berghellingen
opgetrokken. De nieuwe wijk ligt even buiten de oude stad en heeft als centrum
het plein uit de Spaanse tijd (Place Mohammed V). De Bab el-Aïn biedt toegang tot de medina. Place Uta el-Hammam is het belangrijkste plein in de
medina. Aan een zijde staat de Grote Moskee met achthoekige minaret en een
fontein met een pannendak in verschillende kleuren. Het badhuis of hammam
waaraan het plein de naam dankt, dateert uit de 15e eeuw.
De kasba werd onder Moulay Ismaïl gebouwd en is door muren met kantelen
omgeven. binnen zijn thans een Andulusische tuin en het museum voor Marokkaanse
kunst. De toren van de kasba biedt uitzicht over de stad. Een tweede plein in de
medina is de open ruimte voor het Parador Hotel, de Place el-Makhzen. Even
buiten de stad ontspringt de bron Ras el-Ma, waarvan het water in kleine
watervalletjes omlaag komt.
De sparrenbossen rondom de Tissoeka- en Tassaoet-bergen ten noorden van
Chechaouèn zijn uniek in Marokko. Ze zijn de restanten van bossen die eens
driemaal meer uitgestrekt waren. De spar - in het Marokkaans shoeh - groeit
tussen de 1.500 en 2.000 meter op plaatsen waar veel regen valt. In het zuiden
voert de tocht van Chechaouèn naar Ouezzane langs de westelijke uitlopers van
het Rifgebergte door de streek van Jebala. De weg volgt de loop van de Oued
Loukos. Het water van de slingerende rivier zorgt ervoor dat gedurende de zomer
de rode en witte oleanders in volle bloei staan. De berghellingen in de Jabala
zijn helaas door het te intensief kappen van hout - ter verkrijging van
landbouwgrond - danig geërodeerd. |