Er was eens een hele belangrijke koning met slechts één slechte eigenschap;
hij was bijzonder ijdel. Hij vond zichzelf veruit het mooiste wezen in het land
en duldde niet dat een van zijn onderdanen er ook maar het kleinste
vraagtekentje bij zette. Zijn volk keek wel uit, want de koning was een sterk en
machtig man die niet bekend stond om zijn tolerantie. Toch was er één wezen in
het rijk van de koning die zo mogelijk nog ijdeler was en bovendien het lef had
om er hardop voor uit te komen: een reusachtige Baobabboom. Het was een
imposante verschijning met een dikke stam en een weelderige kroon van groene
bladeren. De koning onstak in woede toen hij de Baobab hoorde vertellen dat hij
veel mooier was. Als straf rukte hij de boom uit de grond en zette hem op zijn
kop weer terug. Uit solidariteit met hun soortgenoot deden alle andere Baobabs
in het land hetzelfde waardoor het sinds die tijd lijkt of de Baobab met zijn
wortelstelsel in de lucht steekt.
Veel Afrikaanse volken beschouwen de Baobab als en heilige boom en aanbidden
hem als een godheid. Daarnaast wordt de Baobab ook voor een aantal meer
praktische zaken gebruikt. De uitgeholde stam kan dienst doen als waterton of
kano, de bast wordt verwerkt tot touw waarvan onder andere ijzersterke manden
worden gemaakt en het fruit is eetbaar. Daar komt dan nog de functie bij die de
Baobab heeft voor de westerlingen; die van dankbaar onderwerp om een prachtig
plaatje van te schieten.
|