| A |
|
|
Wanneer een objectief geen perfect beeld geeft qua vorm en scherpte
ondanks juiste instellening op het onderwerp, dan wordt dat aberratie
genoemd. Aberraties komen tegenwoordig veel minder voor dan vroeger. De
mate van vertekening hangt af van de kwaliteit van het objectief.
AE lock (AEL)
Auto Exposure lock. De mogelijkheid om tijdelijk de
belichtingswaarde, gemeten door het lichtmetingssysteem, vast te houden
wanneer het zoekerbeeld verandert.
Niet alle camera's beschikken over deze mogelijkheid.
AF
Zie autofocus.
Licht bestaat uit verschillende kleuren. Iedere kleur wordt op zijn
eigen manier gebroken als een lichtstraal door een lens valt. Bij teleobjectieven kan enige mate een onscherpte ontstaan als de kleuren door deze
verschillende breking niet precies op hetzelfde punt op het negatief
samen vallen. In een apochromatische lens wordt dit gecorrigeerd.
Hierdoor ontstaat een scherper beeld.
Advanced Photo System, een filmformaat dat in 1996 geïntroduceerd
werd door een collectief van de grootste camera- en filmfabrikanten. APS
is vooral bedoeld voor de amateur-fotograaf. Professionele zwart-wit en
diafilms worden dus niet in APS-formaat aangeboden. Na ontwikkelen wordt
de film in zijn cassette opgeslagen en met een indexvel afgeleverd. De
negatieven kunnen er alleen door de afdrukcentrale uitgehaald worden.
Hierdoor zijn ze beter beschermd tegen onvakkundige behandeling, stof,
krassen, vingerafdrukken etc.
American Standards Association: een serie getallen die de snelheid
van een film aangeven. Een stop meer gevoeligheid betekent een
verdubbeling van het ASA getal. Het ASA systeem is inmiddels vervangen
door het ISO systeem.
Licht dat door het midden van een lens naar binnen valt wordt op een
andere manier gebroken dan licht dat verder naar de zijkant van de lens
binnenkomst. Hierdoor kan enige mate van onscherpte ontstaan. Asferische
objectieven corrigeren dit verschijnsel. Hierdoor ontstaat een scherper
beeld.
Autofocus is een automatische scherpstelfunctie van het objectief.
Een sensor in de camera registreert op welke afstand het te fotograferen
object zich van de camera bevindt, waarna het objectief automatisch
scherp wordt gesteld
|
B |
Terug naar boven |
|
Als wij recht vooruit kijken beslaat de beeldhoek die we overzien
ongeveer 45o. Objectieven kunnen door hun optische
constructie totaal andere beeldhoeken zichtbaar maken. Hierdoor kan er
dus een grotere of kleinere hoek dan die 45o op het negatief
of de sensor worden geprojecteerd. De beeldhoek is ook afhankelijk van het standpunt
van waaruit de foto wordt genomen.
We spreken van belichting wanneer de film aan licht wordt blootgesteld.
Hierdoor ondergaat het filmoppervlak een chemische verandering.
Het begrip bewegingsonscherpte duidt op beweging van de camera
tijdens het belichten van de film waardoor de foto onscherp wordt. Het
probleem kan worden opgelost door een kortere sluitertijd te kiezen of door een statief te gebruiken.
Zie bracketing
Deze Engelse term verwijst naar een techniek waarbij je de kans op
een goed belichte foto vergroot door één opname volgens de door de
camera voorgestelde belichting te maken en daarna tenminste één met
over- en tenminste één met onderbelichting.
Weet je nog dat je nog dat je vroeger als kind met een stukje papier
en een vergrootglas vuur kon maken? Door een vergrootglas exact op de
juiste afstand van het papier te houden, werden alle stralen van de zon
op één punt op het papier gebundeld en waren ze tezamen sterk genoeg
om voor ontbranding te zorgen. Omdat die afstand karakteristiek is, is
men er ooit lenzen mee gaan classificeren en onder meer voor objectieven
in de fotografie gaan gebruiken. Bij zoomobjectieven kan de brandpuntafstand door te 'zoomen' worden gewijzigd. Deze
objectieven worden altijd met hun minimale en maximale
brandpuntafstanden aangeduid. bijv. 28-80 mm
|
|
|
| |
Het begrip camerastandpunt verwijst naar de positie van de camera in
relatie tot het onderwerp.
Manier van lichtmeting waarbij de belichting wordt gebaseerd op de
hoeveelheid licht in en rond het midden van het beeld.
De compositie is een sleutelbegrip voor het maken van mooie foto's.
Het verwijst naar hoe de diverse elementen in de foto zich verhouden tot
elkaar en tot het beeldkader.
In de fotografie verwijst dit begrip naar verhoudingen tussen lichte
en donkere elementen in de foto.
|
|
|
| |
Door de lens, zie TTL.
Het diafragma duidt de maat aan van de opening in het objectief waar
het licht doorheen valt. Diafragma waarden worden uitgedrukt in getallen
die 'f-stops' worden genoemd. Een klein diafragma
(kleine opening) heeft een groot getal (f/22 is bijvoorbeeld niet groter
dan een speldenknop), terwijl een groot diafragma (grote opening)
aangeduid wordt met een klein getal. De reeks waarden die je in kunt
stellen is afhankelijk van het objectief dat op een camera in
gemonteerd. Doordat het veranderen van de diafragmawaarde gevolgen heeft
voor de hoeveelheid licht dat op de film valt, moet ook de sluitertijd aangepast worden om de film goed te belichten. Daarnaast heeft de keuze
van de diafragmawaarde gevolgen voor de scherptediepte.
Lichte, hoekige vlekken die meestal diagonaal over een foto lopen. Ze
worden veroorzaakt door schuin in de lens vallend zonlicht. Het gebruik
van een zonnekamp kan dit verschijnsel voorkomen.
Egaal, gelijkmatig licht zonder harde schaduwen. Bij diffuus licht is
het niet, of slechts moeilijk, te bepalen uit welke richting het licht
komt. Mist is een extreme vorm van diffuus licht.
Deutsche Industrie Norm. Duitse aanduiding voor de filmgevoeligheid.
Omdat men van logaritmische metingen uitging werd een verdubbeling van
de filmgevoeligheid aangegeven door het gevoeligheidsgetal met 3 te
verhogen. Een 100 ASA film was 21 DIN. Een 200 ASA film werd dan 24 DIN.
Deze norm is inmiddels internationaal vervangen door de ISO-norm waarin de Duitse DIN-standaard en de Amerikaanse ASA-standaard
gecombineerd worden in : 100/21 ISO.
Delen van de foto die heel licht of juist heel donker zijn, maar waar
toch nog structuur in te zien is. Bijvoorbeeld de schaduwkant van een
boom waarin nog wel de structuur van de schors te zien is.
Draadontspanner
Schakelaar die via een draad of draadloos met de camera verbonden
wordt en waarmee je een foto kunt maken zonder de ontspanknop in te
drukken. Wordt meestal gebruikt in combinatie met een statief om zo trillingen
veroorzaakt door het indrukken van de ontspanknop te voorkomen.
Een foto maken door één negatief meerdere keren te belichten.
Afkorting van Data eXchange. De DX-code is de combinatie van zilveren
en zwarte blokken op de zijkant van een kleinbeeld filmrolletje. Hiermee
kan de camera automatisch de filmgevoeligheid aflezen.
|
|
|
|
|
De filmgevoeligheid is een waarde die de mate van gevoeligheid voor
licht van de film aangeeft. Hoe hoger de ISO-waarde, hoe gevoeliger de
film. De ISO filmgevoeligheid is een waarde die is vastgesteld
overeenkomstig de normen van de International Standards Organization (ISO).
Een ander woord voor filmgevoeligheid.
Een fish-eye objectief is een super groothoekobjectief met een brandpuntafstand van 15 mm. of minder. Met een dergelijk objectief is een beeldhoek van meer dan 180o te bereiken.
De juiste sluitertijd die synchroniseert
met de flitser. De sluiter moet namelijk volledig open zijn voordat de
flitser af mag gaan. Is dat niet het geval, dan wordt een deel van de
foto zwart. Bij de juiste flitssynchronisatietijd valt de lichtpuls van
de flits precies op het moment dat het sluitergordijn geheel geopend is.
Afhankelijk van de gebruikte camera zijn synchronisatiesnelheden
mogelijk van 1/30 sec, 1/60 sec, 1/90 sec, 1/125 sec of 1/250 sec. De
flitser synchroniseert wel met langere sluitersnelheden, maar niet met
kortere.
Een schaal van getallen die de grootte van het diafragma aangeven, bijvoorbeeld f2.8, f4, f5.6, f8 etc. Een aantal stapjes van
een diafragma getal naar een andere wordt ook
wel stops genoemd. Het getal is afgeleid van de lensopening. Hoe groter
het f-getal, hoe kleiner de opening en hoe minder licht er op de film
valt.
|
|
|
| |
Een lichtgevoelige cel in de camera bepaalt hoeveel licht er van het
onderwerp naar de camera wordt gereflecteerd.
Een groothoekobjectief verkleint altijd het onderwerp. De beeldhoek
is groter dan bij standaardobjectieven,
waardoor het mogelijk is meer in de foto op te nemen.
Groothoekobjectieven worden vaak gebruikt bij het fotograferen in
beperkte ruimtes.
|
|
|
| |
Een foto met extreem lichte, heldere uitstraling.
|
|
|
| |
Een manier van flitsen waarbij de flitslamp niet direct op het
onderwerp wordt gericht, maar op een reflecterend vlak, bijvoorbeeld een
wit plafond, om zachter licht met minder zware schaduwen te
krijgen.
Bij invulflits wordt gebruik gemaakt van een flitser bij daglicht om
schaduwen op het onderwerp 'in te vullen' met extra licht.
DeISO-waarde is een getal waarmee dat de lichtgevoeligheid van de sensor of de film aangeeft. Hoe hoger de ISO-waarde, hoe hoger de lichtgevoeligheid en des te minder licht er nodig is voor het maken van een foto. Een hoge ISO-waarde is daardoor geschikt voor het maken van foto's als er weinig licht is en/of bij het maken van foto's van bewegende onderwerpen. Een mogelijk nadeel van een hoge ISO-waarde is dat de foto meer ruis bevat (digitaal) of grofkorreliger wordt (analoog). De ISO-waarde is vastgesteld
overeenkomstig de normen van de International Standards Organization (ISO).
|
|
|
| |
Het oppervlak van een film is in feite samengesteld uit kleine
puntjes of 'korrels'. Hoe hoger de filmgevoeligheid,
des te groter de korrels zijn. Wanneer een met een gevoelige film
gemaakte opname wordt vergroot, wordt de 'korreligheid' zichtbaar.
|
|
|
| |
Lichtsterk objectief
Objectief met een grote maximale diafragmaopening (laag f-getal).
Foto’s waarvan het grootste gedeelte uit donkere tinten bestaat.
|
|
|
| |
Een macro-objectief is speciaal ontworpen voor close-up fotografie.
Het stelt de camera in staat onderwerpen op een zeer korte afstand van
de camera scherp te stellen.
Meerveldmeting
Vorm van lichtmeting waarbij de hoeveelheid licht op verschillende
plaatsen in het beeld wordt gemeten.
|
|
|
| |
Opvallend lichtmeting
Voor deze manier van lichtmeting moet je de beschikking hebben over een
losse belichtingmeter. Met deze belichtingmeter bepaal je hoeveel licht er
van de lichtbron (bijv. de zon) op het onderwerp valt. Hiervoor hou je de
lichtmeter tussen het onderwerp en de lichtbron met de lichtgevoelige
meetcel naar de lichtbron toegekeerd.
|
|
|
| |
Parallax
Het verschijnsel dat het beeld dat je door de zoeker van een
compactcamera of meetzoekercamera ziet niet overeenkomt met het beeld
dat op de foto komt. Dit verschijnsel doet zich vooral voor als het
onderwerp zich dicht bij de camera (minder dan een meter) bevindt.
Dit begrip verwijst naar de onderlinge formaatverhouding tussen
elementen op de voor- en achtergrond. Bij gebruik van een teleobjectief lijken dingen dichter bij elkaar te staan. Bij een groothoekobjectief lijken zaken juist verder uit elkaar te staan.
Polarisatiefilter
Filter dat ongewenste reflecties elimineert en blauwe
luchten blauwer en donkerder maakt. Het nadeel van polarisatiefilters is
dat ze veel licht opslokken (één tot twee stops).
|
|
|
|
| |
Het richtgetal van een flitser bepaald de lichtopbrengst en is gelijk
aan het product van de afstand (van flitser tot onderwerp) en het
benodigde werkdiafragma. Een richtgetal van 45 wil zeggen: bij vol
vermogen is diafragma f45 nodig om op 1 meter afstand van het onderwerp
een juist belichte opname te maken. Immers richtgetal = afstand x
diafragma. Richtgetallen zijn altijd gedefinieerd bij 100 ISO.
Als
de lichtgevoeligheid verdubbelt, dan moet je het richtgetal met 1,4 (de
vierkantswortel van 2) vermenigvuldigen. Als de lichtgevoeligheid
halveert, dan moet het richtgetal vermenigvuldigd worden met 0,7 (de
vierkantswortel van 0,5).
Overigens geldt het richtgetal meestal voor een 50 mm lens. Bij het
gebruik van een groothoek verkleint het richtgetal en bij het gebruik
van een teleobjectief wordt het richtgetal hoger. De rekenregel hierbij
is dat als de brandpuntsafstand verdubbelt, het richtgetal met factor
1,4 toeneemt. Omgekeerd is het zo dat als de brandpuntsafstand halveert,
het richtgetal met factor 1,4 afneemt.
Ringflitser
Een speciale ringvormige flitser, meestal gebruikt bij
macro-fotografie en close-ups, soms ook voor portretten. |
|
|
| |
De term scherptediepte verwijst naar het gebied waarbinnen alles, van
voor tot achtergrond, scherp is. Hoe kleiner de diafragma-opening (aangeduid met een hoge f-waarde), hoe groter de scherptediepte. Hoe
groter de diafragma-opening (aangeduid met een
lage f-waarde), hoe geringer de scherptediepte. Overigens is de
scherptediepte achter het scherpstelvlak (het punt waarop je
scherpstelt) groter dan de scherptediepte voor het scherpstelvlak. Bij
een bepaalde scherptediepte zal ongeveer een derde van de scherpte voor
het scherpstelvlak vallen en tweederde erachter.

Schwarzschildeffect
Het effect dat ontstaat wanneer je extreem lange sluitertijden gebruikt. Sommige films worden aanzienlijk minder gevoelig wanneer je de
film langer dan één seconde belicht. Om de film dan toch goed te
belichten, moet je of een nog langere sluitertijd of een groter diafragma kiezen.
Zie spiegelreflexcamera.
Eenvoudig gezegd verwijst de sluitertijd naar de duur van het
belichten van de film. Een korte sluitertijd betekent dat de sluiter
slechts kort open is (bijv. 1/2000 seconde). bij een lange sluiter tijd
(bijv. 1/30 seconde) is het omgekeerde het geval. In film heeft een
bepaalde hoeveelheid licht nodig om goed belicht te worden. Een langere
sluitertijd moet daarom gecompenseerd worden door een kleiner diafragma en omgekeerd. Dit heeft gevolgen voor de scherptediepte.
Raak niet in de war van de getallen op uw camera. Een sluitertijd
aangegeven als "2000" betekent 1/2000 seconde en is dus erg
kort. De fractieaanduiding 1/ is voor het gemak weggelaten.
Met dit begrip (in het Engels SLR, Single Lens Reflex) worden alle 35
mm. camera's aangeduid die zijn uitgerust met één (verwisselbaar)
objectief en een spiegel die bij het maken van een foto opklapt en
waarbij de zoeker 'exact' het beeld laat zien dat door het objectief
wordt waargenomen.
Een standaardobjectief heeft een beeldhoek die gelijk is aan die van
het menselijke oog. De gebruikelijke brandpuntafstand is 50 mm.
|
|
|
| |
Er is sprake van tegenlicht wanneer het onderwerp zich tussen de
fotograaf en de belangrijkste lichtbron bevindt. Vanuit de positie van
de fotograaf gezien bevindt de belangrijkst lichtbron zich dus achter
het onderwerp. De foto wordt als het ware tegen het licht in genomen.
Een teleobjectief vergroot altijd het onderwerp. De beeldhoek is
kleiner dan bij een standaardobjectief.
Through The Lens, oftewel het systeem waarbij de hoeveelheid licht
dat op de camera af komt door de lens heen gemeten wordt.
|
|
|
| |
Vignettering
Donkere hoeken op een foto die ontstaan doordat de diameter van een
filter of zonnekap te klein is voor de beeldhoek van de lens.
|
|
|
| |
Witbalans
De zon, gloeilampen, TL-verlichting, halogeenlampen en veel andere lichtbronnen geven voor ons gevoel allemaal wit licht. In werkelijkheid zit er wel verschil in de kleur van het licht van verschillende lichtbronnen. Verschillen die het menselijk oog niet waarneemt maar die een digitale camera wel 'ziet'. Dit kan leiden tot kleurzwemen op foto's. Om deze kleurzweem te voorkomen kan op de meeste digitale camera's de witbalans ingesteld worden. In feite vertel je daarmee aan je camera welke kleur het omgevingslicht heeft. De camera brengt vervolgens de diverse kleuren in het omgevingslicht met elkaar in balans zodat er foto geen kleurzweem krijgt.
|
| |
|
|
|
| |
Een objectief waarbij de brandpuntafstand worden gewijzigd. Deze objectieven worden altijd met hun minimale en
maximale brandpuntafstanden aangeduid. bijv. 28-80 mm.
|
| |
|